Dag en nacht gaan we met elkaar om, zo vanzelfsprekend, dat ik met mijn ogen dicht niet eens meer weet hoe je gezicht eruit ziet.
Toen ik nog een klein kind was, en de dag van mijn verjaardag haast niet kon afwachten, liep je als een slome slak achter me aan, moest ik steeds omkijken en op je wachten, op het gevaar af dat ik met mijn jonge hoofd tegen een lantaarnpaal zou knallen. In tijden van ellende leek je eenvoudigweg stil te staan. Ik wilde graag vooruit, maar jij hield me vast, onbeweeglijk als een oude kastanjeboom in de voorjaarsmist. En bloeien? Ho maar. De minuten leken uren, de uren dagen, de dagen jaren.
Op dit moment doe ik veel fijne dingen. Ik wandel, fiets, studeer, schrijf, ontmoet boeiende mensen, houd de tuin bij, lees veel en kijk samen met mijn schatje naar spannende films. Juist nu ik zo van het leven geniet, hol jij vooruit en ren ik hijgend achter je aan. Je gezicht zie ik nauwelijks, ik zie je steeds voor me uitrennen, met je mooie nieuwe hardloopkleding aan. Je bent zo mooi en lief, dat ik als een trouwe hond kwispelend met je mee ren. Zie je niet dat ik ook een dagje ouder word? Kun je je snelheid wat meer aanpassen aan mijn levensgeluk? Ik bedoel, wat sneller gaan als ik in de ellende zit, en wat langzamer in goede tijden?
Ik pas me al zo lang aan jouw tempo aan. Lijkt het je niet heerlijk om ook eens afhankelijk te zijn? Zal ík voortaan voor ons beiden het tempo bepalen? Zeg eens eerlijk, vadertje: wordt het niet de hoogste tijd?
Altien Siemons