Met vier seizoenen is een jaar compleet;
ook vier seizoenen kent des mensens geest:
geeft levenskrachtig voorjaar aan hem weet
van schoonheid, die hij opzuigt onbevreesd.
Des zomers neemt hij vreugdevol het groen
van lentespruiten weeld’rig op de tong
en komt door zulk verheven dromen koen
in hemelrijk gebied. Van daar de sprong
naar de herfsttij van de ziel; in inham stil
vouwt hij zijn vleugels strak en kijkt in rust
de nev’len aan - laat al het schoons, zijn wil,
vergetel stromen langs bekende kust.
Hij kent het winterse verbleekte leven;
zo niet, ware zijn mens-zijn prijsgegeven.
Jeanette Schoonderbeek