We wonen in een nette buurt in de Huizermaat, met allemaal nette mensen. Dat dacht ik tenminste, tot ik vanmorgen opstond en het mooie plantsoen in keek zoals ik dat elke ochtend doe om het leven met een frisse blik tegemoet te treden.
De lust om verder te leven werd mij bijna ontnomen toen ik tot mijn niet geringe ergernis een grote hoop zag liggen (hondenstront wel te verstaan) midden op de stoep van een aardige, maar zeer vrome buurvrouw. Dan bedoel ik ook echt vroom, somber gekleed, rokje in plaats van broek, tasje, hoedje. Je kent het wel.
Als ik haar zie, krijg ik het visioen van de regenboog met de tekst 'Er is Hoop', zoals je die een paar jaar geleden met grote regelmaat op auto's, ramen en deuren zag. Die buurvrouw is niet alleen aardig en vroom, maar ook best leuk om te zien. Ik heb nu in haar orthodoxe visie reeds gezondigd tegen het zevende gebod 'gij zult niet echtbreken' en tegen het tiende gebod 'gij zult niet begeren'. Ik vind haar dus aantrekkelijk, maar dat zeg ik dan maar niet.
Ik ontstak bij het zien van die hoop in woede en verwenste het baasje van die hond in alle talen. Ik zou de dader persoonlijk aan z’n haren door de hoop slepen, hem met genoegen de smurrie door z’n haren wrijven, hem dwingen de derrie op te rapen en op z’n eigen ramen te smeren. Deze a-sociale, smerige, onopgevoede viespeuk zou er van lusten en niet zo zuinig ook.
Maar terwijl ik me zo stond op te winden, dacht ik, het is niet mijn hoop, maar haar hoop en zij zou er niet aan denken om die man ook maar een haar te krenken, integendeel, ze zou hem zachtmoedig tegemoet treden, hem vragen of ze de hoop mocht verwijderen, dat netjes zelf doen met een schepje en 'm in de container deponeren. Niets aan de hand, ze zou de man vriendelijk gedag zeggen en haar handen wassen. Zo is die buurvrouw, zij heeft meer mededogen in haar grote teen dan ik in mijn hele lijf.
Al peinzende (ik stond nog steeds voor het raam) dacht ik: Er is Hoop. Hoop voor mij, maar ook hoop voor de baas van de hond.
Gelukkig maar dat de hoop niet op mijn stoep lag.
Jan van der Bunt