KEIHARD ONDERHANDELEN
'Honderdduizend roepia,' zegt de verkoopster van het Balinese houtsnijwerk.
'Vijftigduizend,' roep ik geroutineerd.
'No,' antwoordt ze met een langgerekte, verontwaardigde o, 'good quality!' Ze streelt het beeldje liefkozend en houdt het voor mijn neus. De vrouw heeft gelijk, het is absoluut vakwerk. Hondderduizend roepia, nog geen tien euro, is geen geld.
Maar we zijn hier op Bali en, zo is me verzekerd, hier moet je afdingen. Sterker nog, als je niet afdingt, voelt de verkoper zich niet serieus genomen.
'You give me better price,' zegt de verkoopster, gekleed in een bontgekleurde sarong en een verwassen t-shirt van de Glasgow Rangers.
'Fifty,' houd ik vol.
Ze slaakt een kreetje en glimlacht meewarig. Haar hoofd komt nog niet eens tot mijn schouder en ik voel me ineens erg groot en wit op dit krioelende marktje. Er staan toch hoop ik geen andere verkopers naar ons te kijken? Mijn blik blijft krampachtig aan het beeldje gekleefd. Ze trekt mij naar zich toe, mijn zweterige hoofd is nu vlakbij haar glanzende haar.
'Negentig,' fluistert ze, 'speciale prijs voor jou.'
'No way', zeg ik. Ik laat mijn ogen over de andere spullen gaan, alsof ik overweeg dan maar iets anders uit te kiezen. Op een plastic krukje voor de kraam zitten twee kleine jongetjes.
Ze lijken sprekend op hun moeder en zijn, op een kort broekje na, naakt. De kleinste, ik schat hem een jaar of vijf, heeft knalgroene slippertjes waarvan er een zowat doormidden is gescheurd. Toch houdt hij hem tussen zijn vuile teentjes geklemd alsof het een groot bezit is. Ze schieten steentjes in het rond met een elastiekje. De verkoopster volgt mijn blik. Zodra ze haar zoontjes in het vizier krijgt valt ze naar hen uit. Ze nemen schielijk de benen. De vrouw kijkt weer verwachtingsvol naar mij.
'Zestigduizend,' zeg ik.
'Tachtig.'
'Zeventig.'
Ze kreunt, verontwaardigd over mijn keiharde onderhandelingstactiek. 'Vijfenzeventig, okee?'
Ik ga akkoord en peuter twee briefjes van vijftigduizend uit mijn dikke portemonnee.
Met enige moeite scharrelt ze het wisselgeld bij elkaar. Ik heb mijn portemonnee alweer opgeborgen, daarom stop ik het los in mijn zak. Met mijn aankoop verlaat ik de kraam. Als ik de hoek omsla, tref ik de jongetjes op de stoeprand. Ze zwaaien vrolijk. Ik werp een snelle blik over mijn schouder en stop ze de vijfentwintigduizend roepia toe. Dan maak ik me uit de voeten alsof ik zojuist een diefstal heb gepleegd.

Christine Hoogenkamp
Terug